Willibrord Jan Frans Maria Vandersteen werd geboren op 15 februari 1913 in de Seefhoek, een volksbuurt van Antwerpen. Hij volgde een opleiding als beeldhouwer, maar voelde zich al vroeg aangesproken door het beeldverhaal.

Hij creëerde in 1940 zijn eerste strip Kitty Inno voor het bedrijfsblad van het grootwarenhuis Innovation, waar hij toen werkte. Zijn eerste krantenstrip was Tor de Holbewoner, een gagstrip, voor de krant De Dag in 1941. In 1943 verscheen zijn eerste stripalbum Piwo het Houten Paard.

Op 30 maart 1945 publiceerde De Nieuwe Standaard de eerste stroken van De avonturen van Rikki en Wiske. Op 19 december 1945 werd het eerste avontuur van Suske en Wiske Op het Eiland Amoras in de krant aangekondigd. Suske en Wiske werden snel razend populair bij de lezers en betekenden de grote doorbraak voor Willy Vandersteen: Suske en Wiske is de populairste stripserie in België en Nederland, ruim 140.000.000 exemplaren werden verkocht en Suske en Wiske-avonturen werden in meer dan 25 talen vertaald.

In 1952 stichtte Vandersteen de Studio Vandersteen, die onmisbaar was om zijn blijvende stroom van ideeën om te zetten in stripverhalen. In totaal bedacht Vandersteen een negentigtal stripreeksen. De bekendste creaties zijn: Familie Snoek (1945), Bessy (1952), De Rode Ridder (1959), Jerom (1960), Karl May (1962), Biggles (1965), Safari (1969) en Robert en Bertrand (1972). Toen hij 72 jaar was, creëerde hij zijn laatste stripreeks: De Geuzen. Tot aan zijn dood op 28 augustus 1990 legde hij zich voornamelijk toe op die reeks.

 

Paul Geerts werd geboren op 16 mei 1937 in Turnhout. Op tienjarige leeftijd was hij al een grote fan van de Suske en Wiske-verhalen van Willy Vandersteen. Hij was, net zoals Willy Vandersteen, erg actief in de plaatselijke jeugdbeweging, in Geerts' geval de Chiro.

Hij werkte als drukker-retoucheur, en tekende af en toe strips voor het blaadje van de jeugdbeweging. Op 1 mei 1967 trok hij zijn stoute schoenen aan en trok met een afgewerkte strip, De verdwenen Smirrel, naar Willy Vandersteen. Vandersteen bekeek de strip minutenlang en zei dan uiteindelijk: 'Je hebt het in de vingers, maar je zult nog veel moeten oefenen.'

Paul kreeg wat huiswerk mee en op 2 januari 1968 nam Vandersteen hem in dienst. Nieuwe krachten waren toen welkom, omdat er veel Jerom-verhalen voor de Duitse markt moesten worden gemaakt. Paul Geerts tekende niet alleen, hij leverde af en toe een bijdrage voor een scenario voor een Jerom-verhaal, en dat ontging Vandersteen niet.
De Verdwenen Smirrel verscheen in 1968 in de populaire Ohee-reeks.

In 1969 vroeg Vandersteen aan Geerts of hij belangstelling had voor het inkten van de reeks Suske en Wiske. Geerts reageerde enthousiast. Met het verhaal De charmante koffiepot begon Geerts Suske en Wiske te inkten. Geerts gaf blijk van een groot inlevingsvermogen in de wereld van Suske en Wiske.
Hij kreeg al snel meer verantwoordelijkheid, zodat Vandersteen zich kon voorbereiden op zijn nieuwe reeks Robert en Bertrand. In 1971 schreef Geerts een synopsis voor een Suske en Wiske-verhaal: De gekke gokker. Vandersteen vond het verhaal goed en paste het hier en daar aan. Vanaf dat moment zorgde Geerts meer en meer voor de scenario's en de tekeningen van Suske en Wiske. Vandersteen bleef ideeën leveren tot aan zijn dood in 1990.

Dat het overnemen van een reeks als Suske en Wiske geen gemakkelijke taak zou zijn, stond voor iedereen vast. Geerts kreeg de hele wereld van Suske en Wiske, maar moest ook zorgen voor verhalen in dezelfde geest. Binnen de vrij nauwe grenzen die een strip als Suske en Wiske kent, is Paul Geerts erin geslaagd om Vandersteens werk op een voortreffelijke manier voort te zetten en toch een eigen inbreng te hebben.

Gaandeweg bewees Geerts dat hij heel wat in zijn mars had. Zijn tekeningen getuigen van een groot meesterschap. In verhalen als De raap van Rubens, De angst op de Amsterdam en avonturen als Sagarmatha, De Tamme Tumi en De Rinoramp bewijzen dat Geerts schitterende verhalen kan verzinnen.

De Suske en Wiske-verhalen werden er realistischer op. Geerts documenteert zijn verhalen erg grondig. Hedendaagse lezers eisen een verantwoorde setting. Ze slikken niet zomaar alles meer. Net zoals Vandersteen, haalt Paul Geerts zijn inspiratie vaak uit reizen. Naast extra spanning voor het avontuur, zijn exotische locaties ook uitstekend om de gebruiken en zeden van andere culturen te leren waarderen. 'Het idee van vriendschap tussen alle volkeren en respect voor elkaars cultuurgoed, is altijd het uitgangspunt geweest van Willy Vandersteen. Ook ik wil die traditie voortzetten,' zegt Paul Geerts.

Geerts heeft zijn bewondering voor zijn vriend en leermeester Willy Vandersteen nooit onder stoelen of banken gestoken. Daarvan zijn in zijn verhalen ook sporen terug te vinden. In 1987 maakte Geerts voor Vandersteen het album De parel in de Lotusbloem, dat de vriendschap verheerlijkt. Om dat album te maken, trok hij naar Nepal. Hij overhandigde het eerste exemplaar van het album tijdens het tv-programma In de hoofdrol aan Willy Vandersteen. Voor heel wat lezers is De parel in de Lotusbloem hun favoriete verhaal. En in het verhaal De zeven schaken speelt een piepjonge Willy Vandersteen samen met zijn helden de hoofdrol. Dààrvoor had Geerts Vandersteen al een belangrijke rol laten spelen in De belhamelbende.

In mei 2002 werd Paul Geerts 65 jaar. Een tekenaar gaat natuurlijk nooit echt met pensioen. Paul gaat zich vanaf nu toeleggen op het tekenen en schilderen 'buiten de lijntjes'. In 2001 vond er al een tentoonstelling van zijn werken plaats en ook in 2002 zullen zijn schilderijen getoond worden.

Ook bij Studio Vandersteen zullen ze nog op hem kunnen rekenen. Hij blijft er een belangrijke pr-functie vervullen. Zijn fans zullen hem dus zeker nog tegenkomen op allerlei beurzen en evenementen.

 

Marc Verhaegen werd geboren op 5 april te Mortsel bij Antwerpen. Vanaf 10-jarige leeftijd volgde hij in zijn vrije tijd, naast de reguliere school, tekenschool in de academie van Kontich.

Hij illustreerde het scoutsblad Condacum gedurende een zestal jaar. Het Sint Stanislascollege, waar hij de Latijns-Wiskundige afdeling volgde, bracht ook een blad uit: Stani. Ook hier illustreerde Marc de diverse artikelen gedurende zo'n vijftal jaren.

Na beëindiging van zijn studies in het college, maakte hij de overstap naar de grafische afdeling van het Sint Lucasinstituut in Brussel (Schaarbeek). Naast de klassieke grafische opleiding volgde hij er animatiefilm, een tak die zijn grootste aandacht genoot.
Dat weerhield hem er niet van om in zijn vrije uren strips te blijven maken. De Ongewenste is daar zo'n voorbeeld van. Het is een verhaal van 40 bladzijden dat in Condacum verschenen is.

Op school begon hij ook met het verhaal van Cycloman en Op zoek naar Spurkmans.
In 1978 studeerde hij af en vond meteen werk bij Pen Film in Gent. Hij werkte er mee aan de Wonderwinkel, een tekenfilm feuilleton naar ontwerp van Gommaar Timmermans. Er volgden nog opdrachten voor het Belgisch Animatiefilm Centrum.
In 1981 waagde hij zich aan een reeks undergroundstrips, in de traditie van Willem, Robert Crump en Wolinski en in 1983 werkte hij mee aan de langspeel-tekenfilm Jan Zonder Vrees, onder leiding van Jef Cassiers.
In hetzelfde jaar verschijnt het hele Cyclomanverhaal in de krant, de Morgen en oogst veel bijval.
Marc Verhaegen doet ook een reeks reclameopdrachten en werkt intussen weer een strip af: Lottoman. Deze is echter niet gepubliceerd geweest.

In 1985 begint Pen Film met een nieuwe opdracht voor France Animation in Parijs: Les mondes englouties.
Marc Verhaegen werkt aan het project mee, naast opdrachten voor het Antwerpse Filmfestival, de Bananasplitshow, Artic enz.

In 1987 gaat Marc voor de Standaard Uitgeverij aan de stripreeks Boes werken, op scenario van Marc Meul. In die periode lopen er ook een reeks reclameopdrachten binnen waaronder een reclamestrip voor Suske & Wiske.

Deze wordt opgemerkt door Paul Geerts en Willy Vandersteen en in het najaar van 1988 vraagt Paul Geerts aan Marc Verhaegen om mee te werken aan de Suske & Wiske-reeks.

Enthousiast gaat Marc Verhaegen op dit voorstel in en inmiddels werkt hij al meer dan 12 jaar bij Studio Vandersteen. In juni 2002 geeft Paul Geerts ook de symbolische fakkel door aan Marc Verhaegen. Dat wil zeggen dat Marc nu instaat voor zowel het scenario als de tekeningen van de komende Suske en Wiske-avonturen. Na Willy Vandersteen en Paul Geerts mag ook Marc Verhaegen zich tekenaar van Suske en Wiske noemen.



  

** Deze heer heeft vermelding meer dan verdient. **

Marc Sleen werd als Marcel Honoree Nestor Neels geboren in Gentbrugge op 30 december 1922. Hij kwam uit een gegoede familie, maar kende een bewogen jeugd. Marc volgde een tekenopleiding aan het Sint-Lucasinstituut in Gent. In 1944 kwam hij in dienst bij de krant De Standaard als politieke karikaturist.

Na een tijdje begon hij te experimenteren met het stripverhaal. Zijn eerste strip was de stopcomic De avonturen van Neus. Op 10 juni 1945 startte De avonturen van Tom en Tony in Ons Volkske. Tom en Tony zijn twee jongens die dromen van verre reizen. Na twee verhalen nemen Stropke en Flopke de fakkel over. Stropke en Flopke verschillen nauwelijks van Tom en Tony. Zij houden het uit tot 1952. Sleen waagde zich ondertussen ook aan pantomimestrips, gagstrips zonder woorden. De reeks Pollopof startte in 1946. In 1950 maakt Sleen nog een pantomimestrip: Joke-Poke. In 1950 ontwierp Sleen ook Doris Dobbel voor een middenstandsblad. Doris Dobbel liep nog tot 1967.

Tussen 1952 en 1965 maakte Sleen de strip Oktaaf Keunink. Oktaaf is een doodbrave man, week als boter, die volledig gedomineerd wordt door zijn vrouw. Van Oktaaf Keunink verschenen ongeveer 600 grappen en vijf albums. De lustige kapoentjes is één van de populairste stripreeksen in Vlaanderen geweest. Deze reeks bedacht Sleen niet zelf, maar van 1950 tot 1965 verzorgde hij met veel succes de wekelijkse afleveringen. De deugnietenstreken van een groepje jonge kinderen zijn het onderwerp van de gags. De lustige kapoentjes was ook duidelijk op een jong publiek gericht. Er verschenen tien albums bij Het Volk.

Ook erg populair was Piet Fluwijn en Bolleke. Deze kinderstrip bouwde Sleen op rond een eenvoudige vader-zoonrelatie, waarbij de goedzakkige vader dikwijls moet boeten voor de schelmenstreken van zijn zoon. Van 1945 tot 1965 verzorgde Sleen deze reeks. Tussen 1957 en 1965 verschenen tien albums.

Sleens bekendste creatie is vanzelfsprekend De avonturen van Nero en co. Toen Sleen in 1947 met de reeks startte in De Nieuwe Gids, heette het hoofdpersonage Van Zwam. Nero kwam al voor in het eerste verhaal, Het geheim van Matsuoka, maar had maar een kleine rol. Na drie verhalen nam Nero de fakkel over van Van Zwam en sindsdien produceerde Sleen al meer dan 200 Nero-verhalen. Het 200ste verhaal De blauwe broertjes verscheen op 5 mei 1999. Sleen staat erom bekend dat hij in Nero een enorme hoeveelheid originele personages heeft gecreëerd. De hoofdpersonages getuigen van Sleens buitengewone fantasie en mensenkennis.

Marc Sleen staat in het Guinness Book of Records, omdat hij meer dan 200 verhalen van Nero bijna helemaal alleen maakte. De laatste jaren leidt hij Dirk Stallaert op om De avonturen van Nero en co. voort te zetten. Sleen is erg tevreden over de inbreng van Stallaert. Hij blijft zelf natuurlijk nog intensief bezig met Nero.

Sleen kreeg voor zijn stripwerk een groot aantal onderscheidingen. Voor Het Lachvirus ontving hij in 1974 de Prix Saint-Michel. In 1993 kreeg Sleen een buitengewone Stripgidsprijs als waardering voor zijn hele stripcarrière: een Gouden Adhemar. In 1995 ontving hij vanwege de Belgische kamer van stripexperten de prijs voor het beste stripverhaal van 1994 voor zijn How-trilogie. In augustus 1998 werd Marc Sleen door koning Albert II in de adelstand verheven. In de loop van 1999 is hij door de koning tot ridder geslagen.

Sleen is ook bekend als Afrika-kenner. Hij ging ontelbare keren op safari. In Afrika kon hij zijn grote passie voor de natuur, en speciaal voor de olifant, uitleven. Hij schreef een aantal safari-boeken. Daarnaast maakte hij documentaires voor het tv-programma Allemaal beestjes. Sinds 1984 is hij beheerder van het Wereldnatuurfonds in België.