De Historie
Hieronder wordt omschreven hoe "Suske en Wiske" tot stand is gekomen.
Vandersteen bij De Gids
Nog voor de laatste stroken van Rikki en Wiske in december 1945 in de kranten van De Gids verschenen waren, had Tony Herbert al toenadering gezocht tot de Standaard Boekhandel en
Willy Vandersteen.
Hij wilde er zeker van zijn dat er een continue aanlevering van stripverhalen voor zijn publikaties zou zijn. Als gevolg van deze contacten kreeg Vandersteen de opdracht een nieuw beeldverhaal te tekenen voor de krant De Nieuwe Standaard en voor de weekbladen Ons Volk en Ons Volkske.
In feite waren de namen van de krant en de tijdschriften eigendom van N.V. De Standaard, maar deze vennootschap werd na de oorlog beschuldigd van collaboratie en kreeg een publikatieverbod van twee jaar. In die twee jaar mocht de N.V. De Gids de namen gebruiken.
  
De Nieuwe Standaard
Voor de Nieuwe Standaard, het dagblad van De Gids, had Willy Vandersteen twee ijzersterke produkten in petto.
Het eerste Rikki en Wiske verhaal was afgelopen en hij had een nieuwe strip over het tweetal gecreërd, Op het eiland Amoras.
Het zou het legendarische eerste verhaal van Suske en Wiske worden. Daarnaast had Willy op verzoek van Tony Herbert een gagreeks
ontwikkeld die meer gericht was op een volwassen publiek. Herbert was namelijk wel opgetogen over het verloop van de dagstrips, maar
hij miste een knipoog naar de oudere lezers. Willy Vandersteen besprak het nieuwe project met Wim Goderis, de onderdirecteur van de N.V. Standaard Boekhandel.
Wim Goderis voerde aan dat Vandersteen uit een ander vaatje moest tappen om de oudere leesgeneraties te boeien. Avonturen in sprookjesachtige en exotische gebieden zouden voor deze catagorie niet aantrekkelijk zijn.
Een eventuele nieuwe reeks zou zich moeten afspelen in een herkenbare en vertrouwd familiemilieu met typische volksfiguren. Willy Vandersteen begon met deze gegevens te spelen en stilaan kregen nieuwe rolspelers gestalte.
Als actieterrein koos hij de intieme sfeer van een doorsnee Vlaams gezin waarvoor hij weldra een naam had gevonden: De Familie Snoek
Voor de scenario's zocht hij samen met Wim Goderis inspiratie in de alledaagse ongemakken en actuele gebeurtenissen. Tony Herbert was tevreden toen hij de eerste gags zag en zette het licht op groen:
In elke zaterdageditie dan De Nieuwe Standaard mocht een aflevering van de Familie Snoek verschijnen. De eerste plaat stond in de krant van 22 december 1945 en stelde in één klap de gehele ploeg voor. Leonard en Marie Snoek, en hun kleinkinderen Gaby & Sloeber.
De Familie Snoek verscheen regelmatig en ontpopte zoch al snel tot een tegenhanger van de succesvolle Suske en Wiske reeks.
De Suske en Wiske strip
De laatste aflevering van Rikki en Wiske in De Nieuwe Standaard was op 15 december 1945 verschenen en uiteraard was Willy Vandersteen opgetogen over het onmiddelijke succes dat deze strip had gekend. Hij voelde dat hij op deze weg verder moest gaan en hij legde
zich volledig toe op de reeks dagstrips. Ongeveer op hetzelfde ogenblik dat de eerste belevenissen van de Familie Snoek op het tekenpapier uitgebeeld werden, had Vandersteen de eerste bandjes van zijn nieuwe dagstrips afgewerkt.
Hij herdoopte de reeks in De Avonturen van Suske en Wiske en het eerste verhaal, Op het Eiland Amoras, was al grotendeels voltooid toen de eerste bandjes op 19 december 1945 werden gepubliceerd. Voor Willy Vandersteen betekende het een keerpunt in zijn carriére.
In de eerste plaats bracht hij hierin twee personages die later niet meer weg te denken zouden zijn: Suske en professor Barabas. Rikki werd in het begin van het verhaal weggestuurd met een rantsoeneringsbron voor schoenen en hij zou niet meer terugkomen.
Wiske en Tante Sidonia luiden de nieuwe strip in met een vrije dag op het scheldestrand waar zij de verstrooide professor Barabas ontmoeten. Zij organiseren een expeditie die op zoek gaat naar een 400 jaar oud rijk op een tropisch eiland, Amoras.
Op Amoras vindt de historische ontmoeting plaats tussen Suske en Wiske. De vrienden raken er betrokken bij de strijd tussen de Vetten en de Magere, zeg maar Goed en Kwaad, een thema dat bij Vandersteen vaak het leidmotief zou zijn. Op het einde besluit Suske zijn
boezemvriendinnetje naar Vlaanderen te volgen en hij zal haar gaan vergezellen op de nu reeds meer dan 45 jaar durende odyssee.
De naam van het eiland, Amoras, vond Vandersteen door de naam van het bekende puddingmerk Saroma om te keren. De naam Suske ontleende hij aan zijn vader die Francis heette, maar Sus werd genoemd. De naam Lambik zou Vandersteen afleiden van het typische geuzebier
uit het Pajottenland. Met Op het eiland Amoras legde Vandersteen de eerste steen van Vlaanderen grootste strip-monument. Het papieren duo Suske en Wiske groeide snel uit tot een razend populair fenomeen in de perswereld. Of zoals iemand later zou zeggen:
Vandersteen leerde de lezer de krant van achteren naar voren te lezen...
Vandersteen vertelde altijd zelf dat Op het eiland Amoras zijn uitverkoren verhaal was, dit aangezien hij daar de definitieve weg gevonden had. Dit zien we vandaag nog aan de gulle en spontane tekentrant terug. Op het eiland Amoras leverde ook de eerste geniale
vondsten uit Vandersteens rijke fantasie op. Dankzij de Gironef konden de striphelden grote afstanden afleggen, en dankzij de teletijdmachine, die toen nog in een experimentale fase verkeerde, konden zij door tijd en ruimte reizen. Het verhaal eindigde in De Nieuwe Standaard op 13 mei 1946.
De Sprietatoom
Vandersteen had de belangrijke test met brio doorstaan. De "Suske en Wiske"-strip won zienderogen aan populariteit en de krantenuitgevers drongen aan op de voorzetting van de reeks. Een paar dagen na de laatste strook van "Op het eiland Amoras" werden de aankondigingsstrookjes
van het verhaal "De Sprietatoom" gepubliceerd. Hierin werd een nieuw personage voorgesteld dat aanvankelijk overkwam als een vieze oude man met slordige haarslierten achter de oren, en een dwaze blik in de ogen. Later in het verhaal zou hij zich bekend maken als Lambik, loodgieter en detective.
Daarmee was één van Vlaanderens populairste stripfiguren geboren.
De gezellige Lambik blonk uit in onhandigheid en domheid, maar hij was ook goedhartig en recht voor de raap. De lezers maakten ook kennis met Vitamitje, een lief en sympathiek autootje met een mensengezicht, dat niet op benzine reed, maar op gewoon voedsel.
Ook "De Sprietatoom" was vlot getekend. Alleen creëerde Vandersteen hierin soms een sfeer van angst en dreiging. Denken we maar aan de griezelige passage in de molen. Het verhaal eindigde op 27 september 1946 en werd onmiddellijk gevolgd door "De Vliegende Aap".
De Vliegende Aap
In het begin van de strip werd de lezer verwelkomd in de vertrouwde sfeer van een gezellige huiskamer, maar lang zou deze bedrieglijke rust niet duren. Lambik, Sidonie, Suske en Wiske besluiten op zoek te gaan naar Lambiks broer, Arthur de vliegende aap. Arthur heeft het geheim van het vliegen
ontdekt door het drinken van een speciaal plantensap.
"De Vliegende Aap" is beslist een typische episode uit de beginreeks van "Suske en Wiske", met veel spontane situatiehumor en koldereske toestanden. In deze strip die zich grotendeels in de jungle afspeelt, tekende Vandersteen enkele kleurrijke personages: de blanke bandiet Serpentos, Banana, de koningin
van de negerstam van de Jambaba's, en natuurlijk Arthur de vliegende aap. Verder voerde hij een aantal dieren ten tonele die hij alle van menselijke trekjes voorzag, zoals het bekketrekkende ezeltje Putifar en de hypnotiserende slang Kanga.
Het verhaal eindigde op 12 februari 1947.
De Zwarte Madam
"De Vliegende Aap" verdween en werd gevolgd door het schitterende verhaal "De Zwarte Madam". Het scenario van deze typisch Antwerpse episode werd samen met Wim Goderis opgebouwd. Folkloristische figuren uit een grijs verleden werden bijeengebracht: de Kwade Hand alias de Zwarte Madam, Kludde en de Lange
Wapper vormen in deze strip een boosaardig spokentrio, en Suske en Wiske krijgen het met deze booswichten aan de stok. Een aaneenschakeling van dolle achtervolgingen is het gevolg. In "De Zwarte Madam" krijgt de kostelijk Lambik een duidelijke hoofdrol toegewezen, en het is tijdens dit verhaal dat hij evolueert
tot wat hij nu nog voor ons is: een wat onhandige en domme goedzak die zich toch geliefd weet te maken bij het publiek door zijn authentiek karakter.
Vandersteen zag in "De Zwarte Madam" ook in dat het scenario zeer belangrijk is, wil het verhaal geslaagd zijn. Vanaf de volgende afleveringen zou hij twee dingen trachten te combineren, een lading gags en humor met een uitgekiend draaiboek.

Het begin van de Rode Reeks
Voor Willy Vandersteen betekende het succes van de krantestrip maar een halve overwinning. Hij besefte dat een strip alleen maar echt populair kon worden als de verhalen uit de krant ook gebundeld zouden worden in boeken. Op die manier bereikte de uitgeverij een heel ander lezerspubliek. De N.V. Standaard Boekhandel
zette een kleine ploeg vakmensen, onder leiding van Wim Goderis, aan het werk om het verhaal van Rikki en Wiske in albumvorm te gieten. Uiteindelijk kon de maquette van De Avonturen van Rikki en Wiske naar de drukkerij worden gebracht. De inhoud werd in het blauw gedrukt, afgewisseld met een rode steunkleur.
Het omslag kreeg een vierkleurenintekening, omgeven met het overbekende warme rood. Het werd gedrukt op hard karton zodat het zeer breekbaar werd in al te ijverige kinderhanden.
Het album verscheen in 1946 in een éénmalige oplage en werd nooit herdrukt!
Het echte grote succes zou komen met de Suske en Wiske-reeks. De N.V. Standaard Boekhandel wist dat de herkenbaarheid van boeken een belangrijke verkoopsfactor is, vooral als het om een langlopende reeks gaat. Men besloot een definitieve lay-out te ontwerpen voor de omslagen van de Suske en Wiske stripboeken. Zo werden
de typische geschilderde titelletters uitgetekend, die samen met de warme rode kleur en de oogstrelende vierkleurenprent het handelsmerk van de Suske en Wiske zouden worden.
Het eerste boek, Op het eiland Amoras, verscheen in januari 1947 in een voorzichtige oplage van enkele duizenden exemplaren. In juni 1948 verschenen bijna gelijktijdig de eerste uitgaven van De Sprietatoom en De Vliegende Aap voor de prijs van (JAJA) 36 frank. De twee nieuwe albums onderscheiden zich van het eerst door het ontbreken van de rode steunkleur.
De pagina's werden afgewisselend in blauw/bruin gedrukt, slechts ondersteund met rasterpartijen die schaduw en diepte dienden te suggereren. De uitgeverij had met deze formule duidelijk de Suske en Wiske vorm gegeven.
In 1949 verscheen De Koning Drinkt en Prinses Zagemeel als nummers 4 en 5 in de reeks. Het chronologische vierde verhaal, De Zwarte Madam, zou pas later in het jaar als nummer 6 in de serie worden opgenomen. Voor het eerst zien we op de achterzijde van de albums het klassieke portret van Suske en Wiske, tante Sidonie en Lambik rond de bloempot.
Deze achterkant zou tot in 1959 onveranderd blijven en maakte deel uit van het vertrouwde uitzicht van de oude Suske en Wiske.
Sommige verhalen veranderden van titel. Zo veranderde De Zonnige Zageman in De Geverniste Zeerover en Het Taterende Testament in Het Sprekende Testament. Spoedig kende de Rode Reeks een grote bekendheid in heel Vlaanderen. Jong en oud kon je aantreffen met een album in een hoekje van de straat.
De uitgeverij begeleidde de distributie van de albums met de nodige aandacht en energie. Het was vooral Wim Goderis die de boeken met veel publiciteit aankondigde en niets onverlet liet om de pers in te schakelen. Systematisch stuurde de uitgeverij geïllustreerde bestelkaartjes naar grote boekhandels, en werden enveloppen en briefpapier
gedrukt met de papieren helden. Boekhandels en afnemers kregen vloeipapier en bladwijzers om de klanten te lijmen. Geïllustreerde folders en prospectussen maakten de klant duidelijk dat "Suske en Wiske" alom tegenwoordig waren. Typische topdagen voor albumverkoop waren de goede schoolrapporten en de feestdagen, met op de eerste plaats
Sinterklaas. Legendarisch hierbij waren de jaarlijkse Sinterklaasacties van de Grand Bazar, waar Vandersteen traditiegetrouw albums kwam signeren.
Niet alleen de "Suske en Wiske"-albums deden het uitstekend op de stripmarkt, ook de bundelingen van de gags van de familie Snoek scoorden aardig. Het eerste boek "De Familie Snoek" werd in 1946 uitgegeven op hetzelfde ogenblik als "Rikki en Wiske". De oplage beperkte zich tot 5000 exemplaren, wat voor die tijd niet eens weinig was.
Nochtans bleek de voorraad snel uitgeput, want in 1948 werden een tweede en derde druk op de markt gebracht. Nog in dat jaar 1948 verscheen het tweede album "De Familie Snoek groeit aan". Dit boek kreeg voor het eerst de definitieve look van de "Snoek"-albums. De basiskleur voor het omslag was hetzelfde typische rood dat ook voor
de "Suske en Wiske"-boeken gebruikt werd. De centrale prent verscheen in tweekleurendruk, rood en blauw, en de titel prijkt in een gestileerde banderol. De inhoud bestond steeds uit een titelblad en 31 "Snoek"-gags die telkens onderaan door een spreuk begeleid werden.
Vanaf 1949 werden de albumuitgaven in een definitief jasje gestoken. De achterkant van het omslag kreeg dezelfde lay-out als de "Suske en Wiske"-boeken. Interessant is wel dat de oorspronkelijke prijs van een "Snoek"-album 28 frank bedroeg, een prijs die jarenlang gehandhaafd kon worden. Verder spaarde de uitgeverij kosten noch
moeite om de albums hun verdiende publiciteit te geven. Meestal waren de acties voor de twee grote boegbeelden van de stripuitgeverij gemeenschappelijk.
De S.A. Erasme, de Franstalige afdeling van de uitgeverij, bundelde in de jaren vijftig "Snoek"-gags onder de titel "La Famille
Guignon".

Suske en Wiske Definitief
Toen Vandersteen in november 1947 zijn Suske en Wiske-strip aan de kranten van de Standaard-groep toezegde, legde hij de basic voor de klassieke periode van deze succesreeks. Met Prinses Zagemeel had hij zicn in de wereld van de sprookjes van duizend-en-één-nacht gewaagd. Opmerkelijk was dat in deze strip tante Sidonia er niet in voorkwam.
En in De Koning Drinkt had Lambik ontbroken. Het lijkt wel alsof Vandersteen mog steeds experimenteerde met de samenstelling van de ploeg. In Prinses Zagemeel verschijnt ons een kostelijke Lambik die zich tot het paarderas wil bekeren. Het hele verhaal draait rond Wiskes pop Schalulleke dat opgevuld blijkt te zijn met zaagsel van Shehera-Saga-Mell.
Sidi-Ben-Moka, de in een tapijtenleurder veranderde geliefde van de prises, loopt onze vrienden tegen het lijf en hij wil de pop (Schalulleke) bemachtigen om zijn prinses terug te toveren. Hij wil Lambik in een paard veranderen, maar slaagt daar echter half in, en Lambik galoppeert verder als een centaur door het verhaal. Sidi-Ben-Moka wordt via de radio naar het Iraakse
Bagdada geflitst, en onze vrienden zetten de achtervolging in met de Gironef. In Irak worden ze tegengewerkt door de boze tovenaar Ali-Ben-Salami, die met een hele reeks trucjes de plannen van Sidi-Ben-Moka tracht te verijdelen. Hij brengt de veetig rovers van Ali-Baba weet tot leven, en mobiliseert bovendien de domme reus Poze-Khes-Oep. (Pozekesoep was de bijnaam van een
zeer bekend worstelaar die in het Antwerpen van de jaren veertig optrad op de Vogelenmarkt en tegenstrevers uit het publiek uitdaagde.) Na vele netelige situaties wordt Schalulleke opengesneden en krijgen Sidi en Shehera-Saga-Mell hun ware gedaante terug. Eind goed al goed, en onze vrienden vliegen op 10 maart 1948 terug naar Vlaanderen.
De Bokkerijder
Op 20 maart 1948 begon een nieuwe reeks aflevering van Suske en Wiske onder de titel De Bokkerijder. Het begin was gewoonweg schitterend. Een gezellig Vlaams ontwaken waarna Wiske haar nachtmerrie in prachtige symboliek verhaalt. Het verloop van het verhaal wordt bepaald door het dagboek van Johan Mattheus Lambik, een verre voorvader van Lambik, die in de 18e eeuw bij een bende
bokkerijders blijkt te hebben gehoord. Lambik wil proberen aan de geschreven wens van zijn familielid te voldoen. Onze vrienden gaan als mijnwerkers op zoek naar de Zilveren Bok, die van het gestolen zilver van de geplunderde Limburgse kerken vervaardigd is. Suske eb Wiske ontmoeten Isidor, de vliegende bok, en diens baas Thijs de bokkerijder. Door onze helden op de Zilveren Bok te
plaatsen, kan Thijs dubbelgangers van hen maken, waarin alle slechte eigenschappen verenigd zijn.
Iedereen ondergaat dit en zo binden onze vrienden de strijd met zichzelf aan. Thijs en zijn bende bestormen het huis van tante Sidonia op zoek naa haar pensioen en spaarboekje. Door ingrijpen van het goede ik van Wiske verdwijnen enkele vijanden, maar de Zilveren Bok en Thijs kunnen ontkomen. Met behulp van een scoutspatrouille kan Lambik ze in het nauw drijven. En daarop besluiten
zij in het moeras van het Duivelsven te springen en verdwijnen voorgoed. Op het einde van het verhaal brengt het goede ik van Thijs het zilveren beeld terug en heeft Lambik de wens van zijn voorvader vervuld. De zoektocht naar de Zilveren Bok in de strip kreeg een tegenhanger in een wedstrijd die Het Nieuwsblad in april 1948 organiseerde. De lezers moesten aan de hand van losse letters
in de Suske en Wiske-strip de namen van drie Limburgerse gemeenten samenstellen.
De Bokkerijder kan beschouwd worden als een van de beste verhalen van Willy Vandersteen.
Op zijn bekende sappige manier wist hij de legende van de bokkerijders in de Kempen tot leven te brengen en dit gegeven te begruiken als leidraad voor een spannend avontuur. Vandersteen toverde expressieve Lambikkoppen en sfeervolle figuren zoals de grinnikende Zilveren Bok en de grimmige Thijs uit zijn tekenpen.

De Witte Uil
Onmiddelijk na het slotbeeld van De Bokkerijder, op 29 juli 1948, kregen de lezers van Het Nieuwsblad de aankondigingsbandjes van De Witte Uil onder ogen. Het verhaal begint meet een sfeervolle passage in het Antwerpse havenkwartier waar Lambik zijn broer Arthur opwacht die met de Kongoboot verwacht wordt.
Lambik wordt in een opiumkit gelokt door een Chinese bende die het op Arthur gemunt heeft. Door het roken van de Pijp der Dwazen krijgt hij prompt een haarstaartje en begint hij gebroken Chinees te praten. Arthur wordt uiteindelijk ontvoerd en overgebracht naar het Verborgen rijk van Sjam-Foe-Tsjek (een verbastering
van de naam van de Chinese nationalistische leider uit de jaren dertig, Tjiang Kai-sjek).
Suskes, Wiske en Lambik zetten de achtervolging in met de Gironef. In China komen ze terecht in de strijd tussen de onderdrukte Korte Staarten van prinses Tchi-Tchi en de Langstaarten die met behulp van de Tijgerwacht van Sjam-Foe-Tsjek terreur zaaien.
Al spoedig blijkt dat Arthur geofferd moet worden omdat hij beschouwd wordt als de verlosser van de Korte Staarten. Zover komt het natuurlijk niet, want onze helden kunnen de vliegende aap bevrijden met de medewerking van het in opstand gekomen volk. Hierbij hanteert Lambik een meesterlijk wapen in de vorm van een stinkende kaas.
Het einde van De Witte Uil was nogal langdradig, in elkaar geflanst en de apothese was vergezocht: een echte deus ex machina verschijnt ten tonele in de gedaante van de vredesduif die een atoombom van boeddhistische makelij op het strijdperk laat vallen. Daardoor verbroederen Lang- en Kortstaarten zich en kunnen onze vrienden naar hun vaderland terugkeren.